Logo Universiteit Utrecht

Erfgoed en Publieksgeschiedenis Lab

Nieuws

In Memoriam Albert van der Zeijden (1957-2021)

Onze collega Albert van der Zeijden (7 mei 1957 – 30 juli 2021) is plots overleden.

Albert was verbonden aan onze afdeling cultuurgeschiedenis als gastonderzoeker immaterieel erfgoed binnen een groter project waar hij aan deelnam vanuit het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN). Voor Albert was het opnieuw verbonden zijn met de Universiteit Utrecht en specifiek de onderzoeksgroep cultuurgeschiedenis iets waar hij heel trots op was, en ook energie uit haalde. Voor Corona was hij 1 dag per week op de Drift waar hij vol enthousiasme met zowel verre als naaste collega’s in gesprek ging over zijn huidig onderzoek naar erfgoedtradities, maar ook vol passie vertelde over katholieke cultuur en geschiedschrijving (waarop hij in 2002 promoveerde) of andere interesses – zoals zijn literaire helden Anthony Trollope en Fjodor Dostojevski, de geschiedenis van Lombok, de Utrechtse wijk waar hij werd geboren en opgroeide, en zijn huidige woonplaats Egmond aan Zee.

 

Binnen de kleine erfgoed en publieksgeschiedenis community aan de UU was hij ook 1 van de drijvende krachten achter het Erfgoed en Publieksgeschiedenis Lab en was hij een belangrijke en graag geziene gast in het onderwijs van Marijke Huisman en Gertjan Plets. Voor de vakantie zette hij studenten van de cursus Erfgoededucatie nog aan het denken in een boeiend college over de rol van erfgoed in de energie-transitie.

Het was altijd passen en meten om Albert in een gastles te betrekken, want meestal zat hij in een of ander exotisch land een UNESCO meeting bij te wonen of hard te lobbyen om een Nederlandse traditie op de werelderfgoedlijst te krijgen. Dat wil zeker niet zeggen dat Albert een pure believer was in het huidige erfgoeddiscours in Nederland. Hij was bijzonder kritisch over de maatschappelijke discussie rond veranderende tradities, en ook in het Zwarte Pieten debat was hij een nuancerende stem die zowel de policy als de academische discussie in een andere richting wilde duwen. Daarin toonde hij dat cultuurhistorici een meerwaarde zijn in discussies rond erfgoed, en dat ze gewapend met een sterk theoretisch kader en een historische blik heel wat extra perspectief kunnen brengen.

 

Tijdens de tweede golf waren Albert en enkele dichte collega’s nog volop plannen aan het maken en aanvragen aan het schrijven om de samenwerking tussen het KIEN en de UU te bestendigen. We “zouden er nog eens over praten als Corona voorbij was”, iets wat we wellicht allemaal meermaals gezegd hebben het voorbij jaar half tegen collega’s of vrienden. Met Hanneke Tuithof, Marijke Huisman en andere collega’s van het departement was hij de voorbije maanden hard in de weer om ‘Shared authority’ in onderwijs en onderzoek van de grond te krijgen aan de UU en na te denken hoe we als academische historici onze autoriteit beter kunnen delen met zowel studenten als maatschappelijke partners.

 

Hij mag dan een leegte laten op vlak van onderzoek en onderwijs, Albert was eerst en vooral een heel aardige man, die vol enthousiasme met iedereen in het departement in gesprek ging. Je kon misschien van mening verschillen met hem, hij was altijd heel aimabel en klaar voor een babbel.Onze gedachten gaan uit naar zijn vrouw, familie, vrienden en collega’s van KIEN en over de hele wereld.